kleding

Weeshuiskleding door de eeuwen heen. Prent uit circa 1860.
















jongens

Een aantal jongens uit het weeshuis. Foto uit 1910.
















schoolklas

Het schoollokaal van het weeshuis. Foto uit 1910.
















dames

De dames (personeel en weesmeisjes) buiten aan het werk. Foto uit 1915.
















slaapzaal

Een keurig opgeruimde, sobere slaapzaal. Foto uit 1915.

Burgerweeshuis

De weeshuizen kwamen voort uit een traditie van liefdadigheid, die zijn wortels had in de middeleeuwse steden. Wie iets kon missen, gaf aan de deur of op straat een aalmoes aan een bedelaar. De armen die de goede gaven ontvingen, waren niet in staat om in hun eigen levensonderhoud te voorzien vanwege ziekte en gebrek, ouderdom of het ontbreken van inkomsten. De verzorging van deze behoeftigen was voor een groot deel in handen van de katholieke geestelijkheid. Nonnen, zoals de Agnieten, hielden zich in of buiten hun klooster onder andere met de verpleging van de zieken bezig.

In de Nederlandse steden bekommerde men zich ook om vondelingen en wezen. Dat gebeurde in de Middeleeuwen maar zelden door de oprichting van speciale weeshuizen. Weeskinderen werden doorgaans uitbesteed aan particulieren. Soms werden weeskinderen op kosten van de een of andere instelling in de leer gedaan bij ambachtslieden. Een aantal weeskinderen werd eenvoudig aan zijn lot overgelaten.

In het 16de-eeuwse Den Haag kregen de stedelijke elite en het stadsbestuur aandacht voor een groep weeskinderen die in de stad verbleef. De noodzaak was groot om voor de weeskinderen een speciaal thuis op te richten waarin zij konden worden opgevoed tot burgers met een eerzaam beroep. Dat gebeurde toen, op particulier initiatief, maar met steun van de stedelijke en hogere overheid.

De gebouwen aan het Westeinde


In 1576 stemden de Staten van Holland toe in de overdracht van het kloostercomplex aan het weeshuis. De nieuwe eigenaren kregen toestemming om van de kloostergebouwen de kerk af te breken. De vrijgekomen bouwmaterialen kon men verkopen en de opbrengst hiervan vormde een welkome aanvulling op de schaarse inkomsten van het weeshuis.

De wezen


In het begin waren er 65 kinderen in het Haagse weeshuis aanwezig. De grootste toevloed aan wezen kreeg het weeshuis te verwerken in de 17de eeuw. Tussen 1624 en 1635 telde het weeshuis gemiddeld 77 meisjes en 80 jongens.

Het weeshuis bleek financieel krachtig genoeg om de middelen op te brengen die nodig waren voor de huisvesting en verzorging van de wezen. Dat veranderde echter in de loop van de 18de eeuw. Vooral na 1750 ging het steeds slechter. In 1808 werd bepaald dat het maximum aantal wezen in het vervolg 65 zou zijn. In 1816 werden de toelatingseisen weer versoepeld, omdat het weeshuis nog maar 23 kinderen verzorgde.

Onderwijs


Tot de leeftijd van ongeveer 12 jaar kregen zowel de weesmeisjes als de weesjongens overdag onderwijs. Daarna scheidden hun wegen zich. De meisjes die de schoolbanken ontgroeid waren, gingen aanvankelijk buitenshuis werken bij naaisters. De vijf oudste huismeisjes moesten als werkmeid werken. De weesjongens werden vanaf de leeftijd van zoín 12 jaar als ďwerkjongenĒ in de leer gedaan bij Haagse ambachtslieden. Als het werk gedaan was kregen de wezen avondonderwijs.

Wezen met intellectuele capaciteiten hadden binnen en buiten het weeshuis nauwelijks de mogelijkheid om een opleiding te volgen. Voor een aantal van hen veranderde dat in 1756, toen aan het weeshuis de afdeling van de Fundatie van Renswoude werd toegevoegd. Hier kregen begaafde weesjongens onderwijs van verschillende docenten. De Renswoude-afdeling werd gefinancierd uit de nalatenschap van de Vrijvrouwe van Renswoude.

In de tweede helft van de 19de eeuw werd het weeshuisleven ingrijpend hervormd, onder invloed van de veranderde ideeŽn over opvoedkunde en hygiŽne. De wollen- en linnennaaivrouwen verdwenen van het toneel, alle weeskinderen kregen nu gedegen onderwijs en er werd meer aan persoonlijke ontplooiing gedaan. De veel slechtere positie van de weesmeisjes werd wat rechtgetrokken. Sommige meisjes mochten zelfs een vervolgopleiding bezoeken.

Persoonlijke getuigenissen over de behandeling van de wezen zijn verder nauwelijks bewaard gebleven. Onbekend is dan ook of vaak gebruik werd gemaakt van de uitgebreide collectie werktuigen die bedoeld waren voor de bestraffing van de wezen. Er zijn gevallen bekend van wezen die weken lang met een zogenaamd strafblok aan hun been rondliepen. Zoín zwaar blok werd met een ketting aan het been vastgemaakt en beperkte ernstig de bewegingsvrijheid. Erger nog was de vernedering die het lopen met zoín blok met zich bracht.

Verhuizing


Sinds 1910 groeide het besef dat het weeshuis aan het Westeinde ongeschikt was voor zijn bestemming. Dat gold in de eerste plaats voor het schoolgedeelte, dat in 1906 werd gesloten wegens de slechte ventilatie en onhygiŽnische toestanden. De weeskinderen volgden vanaf die tijd onderwijs buiten de deur.

In 1908 besloot men op zoek te gaan naar eens stuk grond aan de rand van de stad waar een geheel nieuw weeshuis gebouwd zou moeten worden. Pas in 1917 kon een geschikt perceel worden aangekocht aan het Josef IsraŽlsplein. Dit gebouw staat tegenwoordig bekend als het Renswoudehuis.

Oorlogsvluchtelingen: een intermezzo


In 1914 had de Duitse invasie van BelgiŽ tienduizenden Belgische gezinnen van huis en haard verdreven. Nederland was (en bleef) neutraal; velen vluchtten dan ook naar het noorden. Op 10 oktober 1914 kreeg de rentmeester van het Burgerweeshuis een telefoontje van de burgemeester van Den Haag: zouden er Belgische oorlogsvluchtelingen in het weeshuis kunnen worden ondergebracht? De rentmeester overlegde terstond met de voorzitter van het regentencollege en het resultaat was dat er nog diezelfde avond 132 vluchtelingen werden opgenomen. De volgende dag kwamen er nog 51 bij en later nog eens 14 personen. Iedereen deed zijn best om de vluchtelingen goed te ontvangen (de gemeente zorgde voor matrassen, dekens en voeding) maar het weeshuis met zijn jonge pupillen, waar de gewone activiteiten moeten doorgaan, bleek niet erg geschikt voor deze taak. De burgemeester zorgde ervoor dat de vluchtelingen vlot naar elders toe konden en eind oktober was de rust weergekeerd. De autoriteiten en de vluchtelingen zelf getuigden van hun dankbaarheid voor de verleende gastvrijheid

In 1919 viel na een rijke historie het doek voor het weeshuisgebouw aan het Westeinde. Het pand werd in dat jaar aangekocht door de Rooms-katholieke Volksbond.